woensdag, februari 18, 2009

Richard Avedon

De projectie van Richard Avedon

Van een verlegen man die zich het liefst achter een kleinbeeldcamera verstopte, groeide Richard Avedon (1923- 2004) uit tot ‘The World’s Greatest Photographer’. Zijn werk is vanaf volgende week te zien op een grote overzichtstentoonstelling in Amsterdam.

Met het groeien van zijn reputatie en zelfvertrouwen groeide het cameraformaat dat de Amerikaanse fotograaf Richard Avedon gebruikte. De meetzoekercamera – die voor het oog gehouden werd als een fysieke blokkade tussen hem en zijn object – maakte plaats voor een Rolleiflex die op buikhoogte hing. Niets meer in het blikveld.
Die middenformaatcamera werd weer vervangen door een grootformaatcamera op statief. Een assistent die de filmcassettes laadde, een assistent die scherp stelde en kadreerde, en Avedon zelf naast de camera met een draadontspanner in de hand. Niets meer tussen hem en het model. Een rechtstreekse confrontatie.
Zo maakte Avedon een omvangrijke reeks portretten. Portretten die minstens zo veel over hemzelf zeggen als over de gefotografeerden: projecties van zijn eigen persoonlijkheid op anderen. In Avedons portretten van publieke figuren is de wederzijdse aftasting voelbaar aanwezig. Iconen uit de showbusiness, literatuur, de kunsten en de politiek verloren iets van hun zorgvuldig opgebouwde imago. Met dedain werd door maskerades heen geprikt. Terwijl Henry Kissinger voor de camera plaatsnam, vroeg hij of Avedon alsjeblieft een beetje aardig voor hem wilde zijn.
De psychoanalytische benadering werd versterkt door de portretten te maken tegen een kale, witte achtergrond. Niets dan de gelaatsuitdrukking en lichaamshouding van de geportretteerde. De mens, aan zichzelf overgelaten. Zo maakte Avedon juweeltjes van foto’s. Van Charlie Chaplin bijvoorbeeld die – met een sardonische grijns op het gelaat – twee opgestoken wijsvingers ter weerszijden van het voorhoofd houdt, als waren het duivelshoorntjes. (Chaplin moest in 1952 uitwijken naar Engeland, nadat communistenjager Joe McCarthy zijn films als on-Amerikaans had bestempeld.) Of het portret van Marilyn Monroe uit 1957 waarop ze eenzaam, verloren en triest in zichzelf gekeerd is.

Militaire operatie
Het fotograferen van bekende persoonlijkheden kon een duel zijn. Anders lag het met de man of vrouw van de straat, mensen die gewoon nieuwsgierig waren en vrijgevig met hun tijd en niet wisten waarom Avedon hen wilde fotograferen.
Die mensen treffen we in Avedons chef-d’oeuvre ‘In The American West’; 752 geënsceneerde portretten van veehouders, mijnwerkers, oliewinners, zwervers, cowboys, kantoorklerken en gevangenen. Mitchell A. Wilder, directeur van het Amon Carter Museum in Fort Worth, vroeg hem de gewone Amerikaan te portretteren, waar Avedon vervolgens vijf zomers mee bezig was. Alle foto’s werden buiten gemaakt, bij daglicht, tegen een wit laken.
Het project was een bijna militaire operatie, productioneel te vergelijken met een reclamecampagne. Er werden jaarmarkten bezocht, rodeo’s, kolenmijnen, oliebronnen, slachthuizen en wegrestaurants. Er werd aan streetcasting gedaan en mensen werden op hun fotogenieke kwaliteiten geselecteerd.
Het bekendste portret, dat van de kaalhoofdige imker Ronald Fischer, had Avedon lang van tevoren bedacht en uitgeschetst. Fischer, een bankemployee uit Chicago die als hobby bijen hield, reageerde op een advertentie waarin bijenhouders werd gevraagd een foto op te sturen. In The American West is daarom geen afspiegeling van de werkende klasse van de Amerikaanse samenleving, maar Avedons eigen interpretatie daarvan. Fictie dus.

Fictie was ook de modereportage die Avedon in 1962 voor Harper’s Bazaar maakte. Het was een satire op het stormachtige liefdesleven van Elizabeth Taylor en Richard Burton. De pastiche met Suzy Parker en Mike Nichols was helemaal berekend, uitgetekend en gerepeteerd. Samen met Marvin Israel, art director van Harper’s Bazaar, werkte Avedon zich door jaargangen Paris Match om zich het idioom van de paparazzi eigen te maken. In een modeserie van twintig pagina’s gebruikte Avedon alle typische paparazzi-technieken, schoot onder meer met de telelens vanaf de overkant van de straat.
Avedons contrastrijke foto’s in zwart-wit tonen betrapte momenten van Parker en Nichols en hun geïrriteerde reacties op de aanwezigheid van de pers: een naar de fotograaf schoppende Nichols, boze gezichten en opgestoken middelvingers. Ondertussen draagt Parker de mooiste creaties van Chanel, Dior, Nina Ricci en Yves Saint Laurent. De geloofwaardigheid van de beelden werd versterkt door Israel, die er in zijn vormgeving het karakter van een sensatieblad aan gaf. Wat nog eens aangedikt werd door de overtuigende teksten, parodieën op het genre van het roddelblad, geschreven door Mike Nichols zelf.

Feestvreugde
Nicole Wisniak, art director, hoofdredacteur en uitgever van het Franse blad Égoïste, stuurde Avedon in 1989 naar de Brandenburger Tor, twee maanden na het vallen van de Muur en de eerste keer dat Oost- en West-Berlijn gezamenlijk oud en nieuw zouden vieren. Avedon greep weer terug naar de kleinbeeldcamera en knipte onbekommerd over de beeldkwaliteit wild om zich heen. Exuberante beelden, doordesemd van de feestvreugde. Het was dezelfde techniek waarin hij aan het begin van zijn carrière met modefotografie omging en waarvoor hij inspiratie vond bij Martin Munkacsi die in de jaren twintig voor Harper’s Bazaar werkte. Munkacsi bracht als eerste beweging en spontaniteit in de modefotografie. Avedon voegde daar de gestileerdheid van Horst P. Horst aan toe.
Avedons samenwerking met art directors als Marvin Israel en hoofdredacteuren als Nicole Wisniak en Tina Bown is altijd hecht geweest en uitermate inspirerend. En wederkerig. De rollen wisselden als Avedon een nieuw boek of een tentoonstelling wilde hebben. Art directors als Alexey Brodovitch (Harper’s Bazaar) of Mary Shanahan (Rolling Stone) werden van opdrachtgever uitvoerder en Avedon werd van uitvoerder opdrachtgever. Brodovitch gaf vorm aan Avedons eerste boek, Observations. Een magistraal werk - ingeleid door Truman Capote - waarin de synergie tussen Avedon en Brodovitch van elke pagina afspat. Twee reuzen die op elkaars schouders staan. Avedons handelsmerk - portretten tegen wit - is direct terug te voeren tot Brodovitch’ opvattingen over de vormgeving van tijdschriftfotografie. Zijn eerste portret tegen een wit doek maakte Avedon dan ook al in 1946, een jaar nadat hij voor Harper’s Bazaar ging werken.
Art directors hoorden hun fotograaf te koesteren, vond Avedon, en hun art direction moest ten dienste staan van de fotograaf. De samenwerking mocht in geen geval een competentiestrijd zijn. Paul Arden – de vorig jaar overleden voormalige creative director van Saatchi & Saatchi in Londen – had een gelijke kwaliteitsverslaving en was uit hetzelfde hout gesneden als Avedons gepassioneerde bladenmakers. Voor het modemerk Alexon schakelde hij in 1983 Avedon in. Arden droeg het concept aan; dat bestond uit niet meer dan de grove contouren. Hij gaf Avedon alle ruimte om te interpreteren, zette de deur naar diens ideeën wagenwijd open.
Volgens Tim Mellors, toen Ardens copywriter, vond Avedon de kleding maar niks. Geïnspireerd door Carol Beckwith’s boek ‘Nomads of Niger’ – foto’s van de Nigeriaanse stam Wodaabe – wikkelde Avedon de van Afrikaanse print voorziene stoffen van Alexon om het hoofd van fotomodel Iman. Arden vond het prachtig, net als de Britse D&AD die er in 1984 een Silver Award voor gaf. Alexon was er minder over te spreken en beëindigde de relatie.

© Pim Milo, 2009. Adformatie 6, 5 februari 2009

0 Comments:

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home