donderdag, februari 14, 2008

Michael Joseph

Chroniquer van het Hedonisme

Over een periode van 37 jaar fotografeerde Michael Joseph zo’n 3500 reclame-uitingen, waaronder Whitbread en White Horse.en hij regisseerde een honderdtal commercials. Maar dat vond hij eigenlijk maar niks. Portret van een fotografie-icoon.

Het is 1964 en student fotografie Michael Joseph, dan 23 jaar, vliegt in een DC-8 van de KLM over de noordpool naar Tokio, samen met journalist Brian Moynahan om voor het blad Man around Town de oorlog in Vietnam te verslaan. Ze besluiten eerst een week in Tokio te blijven, waar de voorbereidingen voor de Olympische Spelen in volle gang zijn. Vervolgens reizen ze naar Taiwan en Hongkong, om ten slotte in Vietnam aan te komen. Waar ze twee maanden blijven.

Michael Heseltine, oprichter en eigenaar van uitgeverij Haymarket, is des duivels. Hij had niet meer dan honderd pond aan verblijfskosten gereserveerd. Waar ze de eigengereidheid vandaan haalden om bijna drie maanden weg te blijven! Om de kosten terug te verdienen wordt Joseph gedwongen zijn in Azië gemaakte foto’s aan andere bladen te verkopen. Met succes en binnen de kortste tijd sieren Josephs beelden de pagina’s van Paris Match, The Sunday Times, The Guardian, The Mail en nog zo wat. Niet slecht voor iemand die pas twee jaar fotografie studeert en zijn opleiding nog niet eens voltooid heeft.

De redactionele publicaties brengen Joseph binnen het blikveld van de reclamewereld. Reclamefotografie als specialisme bestaat nog niet. Er wordt naar Amerika gekeken, naar Irving Penn en Richard Avedon. En de Amerikanen Bert Stern en David Montgomery hebben zich in Londen gevestigd om van de ontluikende reclame-industrie te profiteren. Ondertussen zijn de art directors vooralsnog aangewezen op redactionele fotografen.

Alan Brooking, art director bij reclamebureau Collet Dickenson Pearce is de eerste die met Joseph in zee gaat om een reclamecampagne te fotografen. Het wordt er een voor Aer Lingus. CDP wil de samenwerking vervolgen met een advertentie voor Benson & Hedges. Joseph weigert, wil geen sigarettenreclame doen. Wanneer zijn vrouw hoort dat hij nee heeft gezegd tegen een klus van 150 pond, ontsteekt ze in woede. Als onderwijzeres moet ze daar vijftien weken voor werken! Tien pond per week, dat verdient ze. Dus gaat hij om. De opname wordt in New York geretoucheerd. Een andere art director van CDP, die normaliter alleen met Amerikaanse fotografen werkt, is er zeer van onder de indruk. Vanaf dan doet Joseph, non stop, twee jaar lang vrijwel alle reclamefotografie voor CDP. David Puttnam, die dan ae is bij het bureau, waarschuwt Joseph dat hij het kalm aan moet doen. Door zo omnipresent te zijn, zou het bureau wel eens snel op hem uitgekeken kunnen raken.

Swinging Sixties
Voor Whitbread moest Joseph een advertentie fotograferen met 25 modellen. Die vond hij na een oproep in The Evening Standard waar 500 reacties op kwamen. De advertentie werd nooit geplaatst maar wel in Josephs portfolio gestopt. Wat hem een stroom aan nieuwe opdrachten bezorgde met de allure en burleske overdaad van huishoudens van Jan Steen. “Orgieën”, zegt Joseph zelf. Hedonistische taferelen die naadloos pasten in de losbandige levensstijl van de ontketenende geboortegolf in de Swinging ‘60s.
De advertentie voor Whitbread leidde tot het fotograferen van de campagne “You Can Take A White Horse Anywhere”. Joseph zou er 23 maken - waarvoor inderdaad een wit paard overal mee naartoe genomen werd. Zelfs tot in de jungle bij Caracas. Waar de crew op vrijdagmiddag opeens weg wilde omdat het weekeinde begonnen was.

Een van de White Horse-advertenties - een vergaderzaal met, zittend op een tafel, iemand die iets weg heeft van Mick Jagger - brengt Michael Peters, art director bij designbureau Fletcher Forbes Gill, op het idee Joseph de hoes voor de nieuwe langspeelplaat van The Rolling Stones te fotograferen, “Beggar’s Banquet”. Vooraf werd de locatie bekeken. ‘Wie is die Woody Allen,’ vroeg Mick Jagger aan Michael Joseph. ‘Dat is Michael Peters, de art director,’ antwoordde Joseph. ‘Nou, die willen we er niet bij,’ zei Jagger en Joseph kon Peters vertellen dat die niet welkom was op zijn eigen shoot. De tocht naar de locatie werd een wedstrijd tussen twee Bentley waarbij The Stones om elf uur ‘s morgens al aardig de hoogte hadden. Joseph maakte de opnames op 8x10” in kleur, maar eindigde in zwart-wit met een Hasselblad. Uit die laatste sessie werd het beeld gekozen, in sepia gedrukt en met de hand ingekleurd.

Gecompliceerde orgie
Zijn meest gecompliceerde orgie fotografeerde Joseph voor Offley, met art director Franco Moretti van McCann Milaan. Een maniak en minstens zo megalomaan als Joseph zelf. Tachtig modellen kwamen eraan te pas, plus vrienden, een aap en vier Deense doggen. Zelfs de casting director en de drie stylistes moesten mee poseren.

Als kind zat Joseph op kostschool, waar je als eerstejaars de namen van alle tweehonderd oudere leerlingen uit het hoofd moest kennen. Als je van iemand de naam niet wist, had je een probleem. Zo leerde Joseph al vroeg om namen aan gezichten te verbinden. De ideale training voor massaregie. Voor zijn druk bevolkte genrestukken schreef Joseph de namen van de belangrijkste figuranten op een geschetste plattegrond. Als hij regieaanwijzingen wilde geven, kon hij iemand bij de naam aanspraken. En er was ook een handigheidje. Je deed of je je tot iemand in de massa richtte en riep dan: ‘Hé John, je staat toch niet te slapen!’ Dat zorgde er wel voor dat iedereen bij de les bleef.

Puttnam werd agent van fotografen. Hij was als een meteoriet omhoog geklommen in het reclamevak, maar te ongedurig om er te blijven. Al gauw had hij David Bailey, Duffy, Lord Snowdon en Terrence Donovan in zijn stal. Joseph wees hem tot tweemaal toe af, omdat hij toch al meer werk had dan hij aan kon. Maar uiteindelijk bezweek hij voor Puttnams charmes. De samenwerking bracht hem heel veel werk uit Europa, met name uit Duitsland, maar ook een Heinekencampagne voor Nederland.
In zijn biografie schrijft Puttnam dat hij zoveel geld aan Joseph verdiende, dat hij een filmproductiemaatschappij kon beginnen. Met Alan Parker, Ridley Scott en Hugh Hudson als regisseurs die hij alledrie in de reclamewereld had leren kennen. Parker als copywriter bij CDP.

Ook Joseph ging regisseren, en won met zijn eerste commercial meteen een Clio. Hij zou er een honderdtal maken, maar vond het eigenlijk maar niks. Om zeven uur ‘s morgens kom je in de studio. Er is nog niemand, zodat je jezelf een ogenblik vertwijfeld afvraagt of je wel op de goede plek bent. Tien minuten later begint de rest binnen te schuivelen. Het ergste waren de vakbonden. Tegen lunchtijd liep alles als een zonnetje. Alles klopte en iedereen gaf het beste van zichzelf en de opname kon niet meer stuk. En dan is er zo’n vakbondsman die op zijn horloge kijkt en roept dat het pauze is! Alleen als je met een dikke stapel bankbiljetten zwaaide, kon je ze daarvan afbrengen. Ridley Scott vroeg hem tot diens productiebedrijf toe te treden, maar Joseph bedankte voor de eer. ‘Heel aardig aangeboden, maar ik doe liever fotografie.’

Autonomie
De jaren ‘60 waren het leukst, vond Joseph, en met name de tijd dat er nog geen polaroids bestonden. Geen art director die in je nek stond te hijgen, want niemand kon controleren wat je deed. Er werd zwaar op de visie van de fotograaf geleund. Dat veranderde met de komst van polaroidcassettes voor de Hasselblad. Toen kon je de art director tussendoor laten zien waar je mee bezig was. Dat maakte hem gelukkiger. De fotograaf niet. Die moest autonomie inleveren. Waar tegenover stond dat hij nu zelf ook kon zien hoe het werd. Er was überhaupt veel autonomie, want bureaus als CDP hadden ongelooflijk veel krediet bij de klanten. Er werd losjes gebrieft en weinig met schetsen gewerkt. ‘Quite exciting, these days.’ De ae’s vertelden hun klanten dat CDP met de beste fotografen werkte en dat, als men het niet mooi vond, de foto opnieuw werd gemaakt. Van David Puttnam was bekend dat die zijn klanten helemaal buitensloot. John Stuart, die in 1966 als productieman bij CDP kwam werken, herinnert zich een telefoongesprek tussen Puttnam en een klant die naar de advertentievoorstellen voor de komende badmode informeerde. ‘Oh, dan moet u even in de nieuwe Vogue kijken,’ zei Puttnam. ‘Daar staan ze in volle glorie in.’
Paul Arden was de meest veeleisende art director en tegelijk ook de beste. Die wist donders goed wat fotografie was. In de loop van de jaren ’90 werden de jonge art directors steeds moeilijker om voor te werken. Het ontbrak hen aan begrip. Ze gingen ervan uit dat de fotograaf het kon, ongeacht wat de opdracht was. Nu komen fotografen ook weer overal vandaan, net als in de jaren ’60. Maar dankzij de digitalisering zitten de art directors er bovenop, zien op de monitor de beelden vaak eerder dan de fotograaf.

Over een periode van 37 jaar fotografeerde Michael Joseph zo’n 3.500 reclame-uitingen. Rijk is hij er niet van geworden, zegt hij. Er was een dure studio in Londen en van iedere opdracht ging 25 procent naar David Puttnam. Drie jaar lang was Manfred Vogelsänger assistent, waarna Joseph hem partner maakte. Tegen de zin van Puttnam, die niet goed met hem overweg kon. Dat partnerschap duurde een jaar of vijf, tot de recessie kwam en het werk terugliep. Op een gegeven moment had Joseph acht man personeel op de loonlijst. Los van stagiaires, waarvan Will van der Vlugt er ook een was. (Diens jongere broer Marcel zou later eerste assistent worden bij Vogelsänger.)

Tegenwoordig verdeelt Michael Joseph zijn tijd tussen Londen en Bordeaux, waar hij in het wijndistrict Entre-deux-Mers Sauvignon-blanc- en Merlot-druiven verbouwt en een boomgaard met duizend pruimenbomen heeft).

© Pim Milo, 2008. Gepubliceerd in Adformatie # 6, 7 februari 2008

0 Comments:

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home