zondag, september 09, 2007

Hans Eijkelboom

Oog voor de straat
Straatfotografie loopt uiteen van de telelens van de paparazzi tot de ‘in your face’-methode van William Klein. De werkwijze van de fotograaf blijkt uit het oogcontact dat de geportretteerde met de camera heeft. Foam_Fotomuseum Amsterdam presenteert de straatfotografie van Hans Eijkelboom.

Voor Ed van der Elsken was oogcontact welhaast essentieel. Hij bedelde om aandacht, plaatste zichzelf in het middelpunt en dwong met zijn charme-offensief een fotomoment af. Straatfotograaf Reinier Gerritsen daarentegen dikt zijn aanwezigheid zo grotesk aan dat hij van de weeromstuit onopvallend wordt. In een fluorescerend oranje pak klimt hij bovenop een ladder. Vanaf dat moment versmelt hij met het straatmeubilair. Zo stelt hij zich aan de overkant van zebrapaden op, pal tegenover de ongeduldig op het groene voetgangerslicht wachtende mensenmassa. Die in hem geen fotograaf, maar een gemeentewerker meent te zien. Ook Hans Eijkelboom (1949) kiest voor camouflage. ‘Fotograferen doe ik zo onopvallend mogelijk. Ik draag een soort bedrijfskleding die mij onzichtbaar maakt in de massa.’

Eijkelboom is niet de enige die zich met identiteit binnen de massa bezighoudt. Ari Versluis en modestyliste Ellie Uyttenbroek werken sinds 1994 aan hun project ‘Exactitudes’. Net als Eijkelboom filteren zij culturen en sociaal-maatschappelijk gedefinieerde klassen uit de samenleving door hun beeltenissen tot tableaus samen te voegen. Anders dan Eijkelboom doen ze dit niet op straat, maar nodigen ze de mensen uit bij hen in de studio te poseren. Daarbij wordt de eenheid die uit hun kledingkeuze spreekt - nichten in ruitjesbloes, oma’s in saaie regenjas, mannen met hoedjes, gabbers en ecopunks - versterkt door de uniforme pose die ze gevraagd worden aan te nemen.
Zo rigide is Eijkelboom niet. Zijn ‘snapshots’ komen impulsief tot stand. Eijkelboom: ‘Wandelen of staan op straathoeken is voor mij de beste methode om een stad te ondergaan en enigszins systematisch te observeren. Dat lopen en wachten is in het begin doelloos observeren, maar gaat, als ik een bepaald thema heb ontdekt, soepel over in fotograferen. Ik kies voor onderwerpen of thema’s die zich dominant manifesteren of vaak herhalen in het straatbeeld. Een voorbeeld: toen ik op woensdag 26 november 1997 ongeveer vijftien minuten in New York op de hoek van Broadway en de 14th Street had gestaan, ging het mij opvallen dat veel mensen kleding met camouflagekleuren droegen. Na deze vaststelling heb ik tussen 13.00 uur en 13.30 uur iedere voorbijganger in camouflagekleding gefotografeerd.’

Spanningsveld
Sinds 1971 maakt Eijkelboom fotoprojecten waarin de vraag centraal staat wat hem tot individu maakt ten opzichte van zijn medemens en hoe dat individu wordt gevormd. Het zijn naar sociologische antropologie neigende, uiterst droge registraties van de relatie tussen kleding, uiterlijk en persoonlijkheid, liefst in de vorm van een soort performance met zichzelf in de hoofdrol. In de loop der jaren breidde deze interesse zich uit naar de relatie tussen identiteit en wereldbeeld. Eijkelboom: ‘Ik zocht naar een methode om de zich dagelijks herhalende ervaringen en waarnemingen die mijn wereldbeeld vormen zichtbaar te maken. Met het fotografisch dagboek waarmee ik 8 november 1992 ben begonnen, denk ik die methode gevonden te hebben en een archief te kunnen maken van beelden die voor een deel de basis van mijn wereldbeeld uitmaken. Daarnaast worden mijn fotonotities steeds meer een onderzoek naar de wisselwerking tussen mijn identiteit en die van anderen en meer algemeen naar de verhouding tussen uniciteit en gelijksoortigheid. De stedelijke ruimte is mijn werkterrein geworden doordat juist daar een optimaal spanningsveld heerst tussen individu en massa.’
Eijkelbooms jachtterrein bestaat uit drukke winkelstraten: Kalverstraat, Dam en Munt in Amsterdam; Meir en Groenplaats in Antwerpen; Zhonglu Hauihai Donglu in Shanghai; Boulevard Haussmann in Parijs; Manhattan en Broadway in New York. Meer homogeen samengestelde groepen vindt hij op geëigende verzamelplekken: kantoorpersoneel in hemdsmouwen op een zonnige dag bij Station Bijlmer; zakenmensen op 5th Avenue in New York en fans van popgroepen bij het Gelredome of bij de Amsterdam Arena.
Eijkelboom: ‘Op de momenten dat we ons in de massa begeven lijkt het denken over onze identiteit gestimuleerd te worden, want vooral dan voelen wij ons uniek anders dan de anderen en groeit de behoefte om onze identiteit te versterken. In de stedelijke ruimte vervult het winkelcentrum een wonderbaarlijke rol: enerzijds lijken we daar alles te kunnen kopen dat nodig is om vorm te geven aan onze unieke persoonlijkheid, anderzijds is vrijwel alles dat we er kopen een massaproduct waardoor de bezitter van zo’n product juist meer verbonden raakt met de massa van medeconsumenten.’

Bewijsstuk
Eijkelboom begon zijn kunstenaarscarrière in 1971 met een groepstentoonstelling waaraan ook Ed Ruscha deelnam. Dezelfde Ruscha die volgens de kunsthistorici het eerste echte kunstenaarsboek op zijn naam heeft staan. “Twentysix Gasoline Stations”, verscheen in 1963. Sedertdien publiceerde Ruscha er nog vijftien, waaronder “Some Los Angeles Apartments”, “Thirtyfour Parking Lots” en “Real Estate Opportunities”. Kleine, goedkoop geproduceerde boeken die exact bieden wat de titel belooft: droge, puur feitelijk registrerende foto’s. Ruscha zocht geen interessante beelden, noch bijzondere onderwerpen. Hij verzamelde feiten en gebruikte het medium fotografie als een systeem, als beschrijvende taal.
Het kan niet anders of Ruscha’s boeken zijn van invloed op Eijkelboom geweest. Die heeft inmiddels meer dan dertig boeken uitgebracht, meestal in eigen beheer, waardoor de distributie beperkt is. Soms bedraagt de oplage niet meer dan 150 exemplaren.
Ook Eijkelboom gebruikt fotografie vooral als bewijsstuk. In 1976 slaagde hij erin om tien dagen achtereen zichzelf op de foto in de krant te krijgen. Soms pontificaal in beeld, soms op de achtergrond. Van het project werd een boek gemaakt, ‘In de krant’, waarin de betreffende krantenpagina’s staan gereproduceerd.
Uit 1978 dateert het project ‘De ideale man’. Eijkelboom stuurde tien vrouwen een portretfoto van zichzelf met het verzoek aan te geven hoe hij aan hun ideaal zou kunnen voldoen. Dat resulteerde in tien verschillende portretten van de kunstenaar, gekleed en opgemaakt volgens de wensen en in aanwezigheid van de vrouwen. In de beste conceptuele traditie vormen intentieverklaring, schetsen en aantekeningen samen met de volstrekt pretentieloze ‘kiekjes’ het uiteindelijke, buitengewoon geestige kunstwerk.
In de afgelopen twee jaar was Eijkelboom achtereenvolgens twee maanden in Parijs, New York en Shanghai, om een vergelijkend onderzoek te doen naar typologieën in deze drie metropolen die elk representatief zijn voor een tijdperk. Parijs als cultureel centrum van de 19e eeuw, New York van de 20ste en Shanghai van de 21ste eeuw. Eijkelbooms onderzoek resulteerde in fascinerende antropologie, parameters in stramienen. Foam_Fotografiemuseum Amsterdam exposeert ‘Paris-New York-Shanghai’, dat onderdeel is van het veel omvangrijkere fotografisch dagboek ‘Fotonotities’ waar Eijkelboom op 8 november 1992 aan begon en dat hij wil afronden op 8 november 2007. Het einde valt samen met de opening van zijn tentoonstelling in de Aperture Gallery in New York, gelijktijdig met de presentatie van het boek ‘Paris-New York-Shanghai’.

Globalisering
Paris-New York-Shanghai wordt een boek dat ogenschijnlijk uit drie afzonderlijke banden zal lijken te bestaan. Een vernuftige zigzag gevouwen band maakt dat de drie delen één geheel blijven en gelijktijdig, naast elkaar bekeken kunnen worden. Het stramien van de drie delen is identiek, waardoor de kijker moeiteloos verschillen en overeenkomsten tussen gelijksoortige beeldreeksen in de drie steden kan zoeken. Elke reeks toont unieke individuen en tegelijkertijd de gelijkvormigheid van de massa in de stedelijke omgeving. Er zijn pagina’s met mannen in gestreepte polo’s, vrouwen in naveltruitjes, heren in kostuum met aktetas of lunchend op een bankje in het park, ouders met baby’s in Baby Bjorns, verveelde taxichauffeurs en vrouwen met rolkoffers of in mantelpakjes. Eijkelboom: ‘Globalisering leidt ertoe dat stadscentra overal op de wereld op elkaar gaan lijken en dat er identieke producten worden verkocht.’

Eijkelbooms fotografisch dagboek is van een fascinerende omvang en verscheen tot nu toe in een twintigtal deeltjes. De meeste daarvan zijn collectors items. Eijkelboom: ‘Twaalf maanden per jaar, zes dagen per week maak ik tussen de 1 en 80 foto's per dag. Op de foto's zijn fragmenten te zien van dat deel van de wereld dat met mijn ogen in contact is geweest en dat daardoor met mij verbonden is. De aard en inhoud van die verbondenheid zijn verschillend en bestaan soms uit een ooit plaatsgevonden kort oogcontact en soms uit een levenslange intensieve band. Het zijn beelden uit mijn dagelijks leven, ze maken iets zichtbaar van de bron van mijn bewustzijn en wereldbeeld.’
In zijn boek “Het negentiende deeltje” (1987) schrijft Eijkelboom: ‘Ik fotografeer veel, het indrukken van de knop ervaar ik nooit als een betekenisvolle handeling. Waarschijnlijk heb ik inmiddels ± 10.000 foto's afgedrukt en ook dat vind ik een tamelijk vervelende bezigheid. Maar foto's, die vellen papier waarop iets te zien is dat een onnoembare relatie heeft met de realiteit, daar kan ik lang naar kijken. Maar nog altijd kan ik niet echt bevatten wat ik dan zie.’
Door de individuele portretten van gelijksoortig geklede mensen samen te voegen tot tableaus van soms dertig foto’s ontstaat er een vrolijk stemmend patroon. De zo zorgvuldig gekozen identiteit wordt door Eijkelboom teruggebracht tot massaproduct. De patronen zijn interessant en humoristisch: vrouwen in rode jassen, mannen in kostuum met attachécase. Maar wie alleen naar de herhaling kijkt, mist de details. ‘Het is allemaal van hetzelfde,’ zegt Paul Benjamin (William Hurt) in de film “Smoke” tegen Auggie Wren (Harvey Keitel), als die zijn straatfoto’s laat zien. ‘Slow down,’ zegt Auggie. ‘If you flip through the album too fast you’ll never get in.’ Een mooie metafoor om van alledaagse dingen te leren houden.
Wij wisten al dat we, in een eenwordend Europa, in hoog tempo bezig zijn onze volksaard, onze culturele identiteit te verliezen en daarvoor in de plaats een Europees aanzien terug te krijgen. We worden generiek. Hans Eijkelboom laat in Paris-New York-Shanghai zien dat dit geen Europees, maar mondiaal proces is. Dat geldt dan met name voor de aanwezigheid van McDonald’s en voor de tassen van Louis Vuitton, die in elk van de drie steden prominent deel van het straatbeeld uitmaken.

© Pim Milo, 2007

1 Comments:

Blogger Jonas Maeckelberghe said...

Interessante post.
Bedankt

3:01 p.m.  

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home