zondag, maart 04, 2007

De spiegelreflectie van Martin Parr

Martin Parr, rijzig, slank, oogt zeer middle-class. Een onopvallende bril, saaie trui, slappe mond met dunne bovenlip. Zou onderwijzer of ambtenaar kunnen zijn. Niet afstandelijk, maar evenmin gepassioneerd. Hij was in Nederland om zijn nieuwste publicatie onder de aandacht te brengen – “The Photobook: A History volume II”.

Binnen het beroemde en respectabele fotografencollectief Magnum bekleedt Martin Parr een merkwaardige positie. Magnum werd in 1947 opgericht door de fotografen Robert Capa, Henri Cartier-Bresson, George Rodger en David ‘Chim’ Seymour. Opgelucht dat ze de gruwelen van de oorlog overleefd hadden en nieuwsgierig naar wat er nog van de wereld restte, beoogden zij "a community of thought, a shared human quality, a curiosity about what is going on in the world, a respect for what is going on and a desire to transcribe it visually," zoals Cartier-Bresson hun ambities zou formuleren.

Magnum heeft sindsdien een indrukwekkende reputatie opgebouwd door de camera’s te richten op de zwakkeren in de samenleving, op de strijd voor de elementaire rechten van de mens en op de brandhaarden in de wereld. Er kwamen en komen memorabele fotodocumentaires en boeken tot stand, waaronder Bruce Davidsons “East 100th Street”, Philip Jones Griffith’ “Vietnam Inc.”, Susan Meiselas’ “Nicaragua”, Gilles Peress’ “Telex: Iran” en Sebastião Salgado’s “Workers”.

Stuk voor stuk projecten van lange adem over onderwerpen waar een betrokken, humanistisch oog bijna voorwaarde is. En wat doet Martin Parr? Hij richt de camera niet op de strijd om het bestaan, maar op óns, op onze onverzadigbare zucht naar overvloed en welbehagen. Onze hang naar méér.

Parr fotografeert ons op doodnormale, alledaagse en daarom ongebruikelijke momenten. In snackbar, supermarkt of souvenirwinkel, terwijl we consumeren, kijken, kopen, lopen of recreëren. We doen dat in korte broek (maar dragen sokken in onze sandalen), onze onderbroek piept uit boven de band van de pantalon of we hebben een mayonaisevlek op onze jurk. We dobberen ongelukkig in een openluchtzwembad onder een dreigende wolkenlucht of vechten aan de hotdog-counter om de knijpfles met ketchup. Parr legt ons burgerlijke gedrag vast met een kleinbeeldcamera met macrolens en ringflitser op amateurfilm. Dat geeft voyeuristische perspectieven en bonte, verzadigde kleuren die ons leven nóg kleingeestiger doen lijken.

In 1995 bezocht Cartier-Bresson een tentoonstelling van het werk van Parr, die een jaar eerder volwaardig lid van Magnum was geworden. Na met toenemende ergernis de foto’s bekeken te hebben, vroeg hij zich af van welke planeet Parr eigenlijk kwam. Hij vond het werk van een nihilistische instelling getuigen. Maar dat is het niet. Er zit wel degelijk genegenheid in de manier waarop Parr naar onze samenleving kijkt, zij het met de nodige ironie.

De Britten zijn een klassenbewust volk. Martin Parr, die in 1952 in Epsom (Surrey) werd geboren, is de zoon van een ambtenaar. Meer middle-class kan een Engelsman niet zijn. Parr is er dan ook van beticht dat hij anderen beoordeelt op basis van zijn eigen middle-class afkomst met de daarbij horende kleinburgerlijke moraal, gedragingen en smaak. Beeldredacteur en schrijver Colin Jacobson vindt Parr een nodeloos wrede sociaalcriticus die scheppen met geld verdient door de spot te drijven met de zwakten en het uiterlijk vertoon van anderen. Parr is zich die controverse in zijn werk bewust. ‘Er zit een zekere hypocrisie in wat ik doe. Ik kritiseer de samenleving en ben er tezelfdertijd deel van. Dat heeft iets cynisch. Ik verdien mijn brood door de consumptiemaatschappij te kritiseren.’ Daarbij gebruikt Parr het idioom van de reclame: beeldtaal, kleurgebruik, standpunt en perspectief heeft hij van het reclamevak geleend. Datzelfde reclamevak doet vervolgens een beroep op Parr om reclamecampagnes te fotograferen. Zijn werk figureert in uitingen voor ondermeer Virgin, Pearl Pensions, Absolut en Tate Modern. En in Nederland voor Reaal verzekeringen. Parr: ‘Ik ben me terdege bewust dat ik mijn talent prostitueer, waar niks mis mee is. Zoveel reclamewerk wordt mij nou ook weer niet aangeboden, dus als ik de kans krijg en er de tijd voor heb zal ik het zeker doen. Ik ben niet kieskeurig. Een sigarettencampagne bijvoorbeeld zou ik niet weigeren. Maar er moet dik voor betaald worden. Dus is het niet waarschijnlijk dat het ooit gebeurt.’

Behalve chroniqueur van ons overconsumptieve gedrag is Parr er als reclamefotograaf dus ook een aanjager van. ‘Mijn onderwerp is het welstandige Westen. Ik maak deel uit van deze samenleving, dus kan je zeggen dat ik medeverantwoordelijk ben. Het punt is dat de consument geneigd is iedereen de schuld te geven behalve zichzelf. Niettemin ben ik geheel en al bereid om toe te geven dat ik net zo schuldig ben als ieder ander.’

Professionele reclamefotografie kan hem overigens maar weinig bekoren. ‘Ik heb meer met de foto’s waarmee mensen op e-Bay hun spullen aanbieden. Dat is pas commerciële fotografie.’ Het minst interessant zijn de jaarboeken en de fotoprijzen. ’Teveel eigen roem.’ Echt enthousiast wordt Parr als het werk van reclamebureau KesselsKramer ter sprake komt. ‘Zij overbruggen de kloof tussen kunst, reclame en commercie. Een goed voorbeeld van hedendaags denken, van effectief beeldgebruik. Er wordt in Engeland mooie reclame gemaakt en er zijn goede reclamebureaus, zoals Mother, maar niemand die in de buurt van Erik Kessels komt. Er zouden er meer zoals hij moeten zijn.’

Parr heeft over ideeënrijkdom niet te klagen. Zijn fotoprojecten resulteren keer op keer in succesvolle fotoboeken. Ogenschijnlijk voor de hand liggende concepten zoals “The Phone Book”, briljant door zijn uitvoering: een qua formaat en vormgeving op een telefoongids geïnspireerd boek gevuld met foto’s van telefonerende mensen. Of “Bored Couples”, gewijd aan echtparen die elkaar niet zo vreselijk veel meer te vertellen hebben. In dat boek zien we Parr zelf mistroostig aan een cafétafeltje zitten. Hij figureert vaker in zijn foto’s. “Autoportraits” toont Parr over de hele wereld op typische toeristenplekken waar hij zich door lokale fotografen liet portretteren. En verveling is eveneens een terugkerend thema in Parrs oeuvre. Van “Boring Postcards” verschenen drie verschillende edities. Van een reis naar het plaatsje Boring in Oregon bundelde hij 468 opzettelijk saai gehouden foto’s. ‘We ondernemen van alles om de verveling te verdrijven, wat onvermijdelijk weer tot verveling leidt.’

Inmiddels heeft Parr ruim vijftig titels op zijn naam. Behalve producent is hij ook verzamelaar van fotoboeken. Verzamelen is een geld en tijd verslindende hobby die culmineerde in twee baanbrekende publicaties. December 2004 verscheen “The Photobook: A History, Volume I” en oktober afgelopen jaar verscheen deel II. Een unieke inventarisatie van toonaangevende boekuitgaven van de 19e eeuw tot heden en een bijbel voor iedereen die wat diepgaander in fotoboeken geïnteresseerd is. Coauteur is de Engelse fotohistoricus en criticus Gerry Badger, die verantwoordelijk is voor de informatieve, soepel geschreven tekst.

Wie het aanbod van antiquarische fotoboeken een beetje volgt, ziet dat de prijzen sinds de verschijning van The Photobook een stijgende lijn vertonen. En het einde is nog niet in zicht. Het fotoboek verheugt zich in een toenemend aantal verzamelaars. Collectioneur (en voormalig reclameman) Manfred Heiting, die enkele jaren geleden zijn verzameling van 3.760 foto’s voor, naar verluidt, 35 miljoen dollar aan het Museum of Fine Arts in Houston verkocht, heeft zich nu op het fotoboek gestort. Bij hem thuis, in Los Angeles, is een perfect geconditioneerde bibliotheek gebouwd waar de boekenschat op de juiste temperatuur en luchtvochtigheid wordt bewaard. Parr zelf zal de publicatie van The Photobook evenmin windeieren hebben gelegd. Het lijkt waarschijnlijk dat van elke besproken titel wel een exemplaar bij hem thuis in de kast staat. Eerste drukken, ongetwijfeld, en waar mogelijk gesigneerd. Want Parr is een obsessief verzamelaar. Niet alleen van fotoboeken trouwens. Ook souvenirs die gaan sneeuwen als je eraan schudt en andere eersteklas kitsch.

Autonome fotografie is zelden vrij van autobiografische trekjes. De fotograaf zoekt immers voor inspiratie bij zichzelf. Hij fotografeert wat hij herkent. Wat Parr herkent, is gulzigheid. De onverzadigbare zucht naar méér. Parr fotografeert vooral zichzelf.

© Pim Milo, 2007

0 Comments:

Een reactie plaatsen

Links to this post:

Een link maken

<< Home